Idcollege-welzijn.jouwweb.nl

Steiner: "vrije opvoeding"

Rudolf Joseph Lorenz Steiner is een Oostenrijkse Pedagoog. Daarnaast was hij filosoof, schrijver en architect. Hij is vooral bekend om zijn antroposofische opvattingen.

 

Jeugd

Rudolf Steiner werd op 25 februari 1861 geboren in Kraljevec, Oostenrijk.

 

Studie

Steiner was geïnteresseerd in meetkunde en filosofie. Van 1879 tot 1883 studeerde Steiner aan de Universiteit van Wenen, en specialiseerde zich in Scheikunde, Wiskunde en Natuurkunde. In 1891 promoveerde Steiner in de filosofie aan de Universiteit van Rostock. Deze dissertatie verscheen later in boekvorm.

 

Werk

In 1884 ging Steiner op 23 jarige leeftijd in een gezin werken als huisonderwijzer. Zes jaar lang gaf hij les aan een zwakbegaafde jongen. Hierdoor groeide zijn interesse voor pedagogiek. Hij schreef tientallen boeken en hield lezingen over opvoeding en gezondheid. Hij stichtte het Antroposofische Gesellschaft.

 

Visie

Steiner werd geïnspireerd door Goethe. Steiner zijn opvoedingsdoel bestond voornamelijk uit de geestelijke ontwikkeling. Door deze ontwikkeling moesten kinderen een evenwichtig leven kunnen leiden als ze volwassen waren. Hij was van mening dat persoonlijke groei een voortdurende proces was.
Rudolf Steiner was actief op een breed wetenschappelijk en filosofisch terrein. Hij is de grondlegger van de antroposofie. Antroposofie komt van de Griekse woorden anthropos (mens) en sophia (wijsheid). Een mens bestaat volgens Steiner uit mee rdan alleen een fysiek lichaam; hij heeft ook een ziel, een geest. Die ziel is een wezenlijk aspect van de mens en bestaat onafhankelijk van het fysieke lichaam.

 

Uitganspunten

Vanuit die denkbeelden had Steiner een specifieke kijk op het kind en de opvoeding. Een kind komt niet als onbeschreven blad op de wereld, maar heeft een voorgeschiedenis. Bij de opvoeding moet je daar rekening mee houden. De pedagogiek die Steiner ontwikkelde vanuit deze visie, heeft hij op de vrije school in praktijk gebracht.

De vrije school is vrij in die zin, dat de school zich bij haar pedagogisch-didactische werkwijze niet laat leiden door voorschriften van de overheid, maar haar eigen visie in vrijheid realiseert.

Het onderwijs is gericht op het hele wezen van de mens: denken, voelen en willen (in de zin van handelen). Deze drie aspecten moeten alleen aangesproken worden op school. Onderwijs op de vrijehscool betekent opvoeden door kunst, want kunst legt de verbinding tussen de wereld van de geest en de wereld van de stof. Maar ook bij lessen die niets met kunst te maken lijken te hebben, zoals rekenen en taal, wordt zo veel mogelijk de lesstof op een kunstzinnige wijze verwerkt.

 

Ritmes

De vrije school werkt vanaf klas 1 met homogene groepen. Alle kinderen van een groep krijgen dezelfde stof, maar er wordt wel rekening gehouden met verschillen tussen kinderen. De kleuters gaan naar de kleuterafdeling (4-6 jaar). Daarna stromen de kinderen door naar de benedenbouw (klas 1-6). Aan het eind van de zesde klas (vergelijkbaar met groep 8) krijgen de kinderen een advies voor vervolgonderwijs.

Ritmes nemen een belangrijke plaats in bij de invulling van het onderwijs. Een rime ontstaat door vaste punten in te bouwen in de opbouw van het periodeonderwijs, de vaklessen, in de week en het jaar. De cognitieve vakken worden bij voorkeur in de ochtend gegeven, ’s middags zijn de doevakken aan de beurt. Op vaste tijden in het jaar viert de school de seizoensgebonden feesten en christelijke dagen.

Een heel apart vak, dat alleen de vrije school kent, is de ‘euritmie’, ontwikkeld door Steiner. Euritmie is bewegingsexpressie waarbij woorden, toon en klank worden uitgedrukt in beweging.
Naast de gebruikelijke vakken die zoals op de meeste scholen, een vaste plek in het weekrooster hebben, werken de kinderen in perioden van drie of vier weken aan bepaalde vakken. Nadat een periode intensief aan een vak is gewerkt, kan het even blijven liggen. De nieuwe kennis kan dan bezinken bij de kinderen en opnieuw worden beleefd als het vak weer aan de beurt is. Daardoor ontstaat een hogere vorm van rijpheid.

 

Visie op ontwikkeling

In de kleuterafdeling komen rekenen en taal nog niet als vakles aan bod. Dit heeft te maken met de kijk van Steiner op de ontwikkeling van kinderen. Tot zeven jaar staat de nabootsingsdrift centraal: het kind doet zinvolle handelingen na die het de volwassene ziet doen.
Vanaf zijn zevende jaar kan een kind op zijn geheugen en voorstellingsvermogen worden aangesproken, een voorwaarde voor het leren. Het kind is dan schoolrijp. Vanaf hun zevende jaar willen kinderen graag leren. Ze hebben behoefte aan een leraar en vertrouwen die helemaal.