Idcollege-welzijn.jouwweb.nl

ADHD

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
1rightarrow.png Dit artikel gaat over de gedragsstoornis ADHD. Zie ADHD (doorverwijspagina) voor andere betekenissen.
Esculaap4.svg     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
ADHD
ICD-10 F90
ICD-9 314.00, 314.01
DSM-IV 314.00 - 314.01
OMIM 143465
DiseasesDB 6158
MedlinePlus 001551
eMedicine med/3103ped/177
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

ADHD betekent Attention Deficit Hyperactivity Disorder, oftewelaandachtstekort/hyperactiviteitstoornis.

Het "aandachtstekort" slaat niet op onvoldoende aandacht krijgen. Wel kan iemand met ADHD onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar omgeving. Daardoor is het niet goed mogelijk om de aandacht bij één ding tegelijk te houden (concentratiegebrek). Een ADHD'er wordt snel afgeleid.

Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door ADHD'ers vaak moeilijk te onderdrukken. Sommige ADHD'ers lijken zelf weinig tot niet bewust van hun eigen beweeglijkheid tot hen hierop gewezen wordt. De mate en manier van beweeglijkheid is voor elke ADHD'er verschillend. Sommigen maken voornamelijk grote bewegingen met benen of armen, sommigen friemelen meer met de vingers en handen. De beweeglijkheid kan in verschillende situaties ontstaan of verergeren. Over het algemeen zijn dat situaties met stress of een drukke omgeving (een situatie waarin veel prikkels moeten worden verwerkt).

Impulsiviteit ontstaat doordat teveel indrukken worden gevolgd door bijbehorend handelen. De handelingen moeten directplaatsvinden en kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden afgemaakt. Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde prioriteiten gelegd.

Het voortdurend reageren op de omgeving en gevolg geven aan impulsen veroorzaakt het kenmerkende drukke gedrag van personen met ADHD.

Inhoud

 [verbergen]

Drie verschillende types

De ADHD stoornis wordt in het diagnostisch handboek DSM-IV-TR beschreven als bestaande uit drie verschillende types:[1]

  • ADHD-I, het onoplettende type (ADHD Predominantly Inattentive Type). Dit is het type waarbij vooral sprake is van ernstige en aanhoudende aandachtszwakte (moeite om de aandacht in het hier-en-nu te houden, dromerig type). Dit wordt ook wel het ADD-type genoemd. Deze aanduiding wordt echter sinds de publicatie van DSM-IV formeel niet meer gebruikt.
  • ADHD-H, het hyperactieve en impulsieve type. Hier is vooral sprake van ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit;
  • ADHD-C, het gecombineerde type. Zowel de problemen van het onoplettende als het hyperactieve type zijn aanwezig. Dit type ADHD komt het meeste voor.

DSM-IV-TR criteria ADHD

A. Ofwel (1), ofwel (2)

1.

Zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:

  • Aandachtstekort
  1. slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten
  2. heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
  3. lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt
  4. volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk, karweitjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet het gevolg van oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwijzingen te begrijpen)
  5. heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten
  6. vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig zich bezig te houden met taken die een langdurige aandacht (langdurige geestelijke inspanning) vereisen (zoals school- of huiswerk)
  7. raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden (bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap)
  8. wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels
  9. is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden

2.

Zes (of meer) van de volgende symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit zijn gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:

  • Hyperactiviteit
  1. beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn/haar stoel
  2. staat vaak op in de klas of in andere situaties waar verwacht wordt dat men op zijn plaats blijft zitten
  3. rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is (bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt blijven tot subjectieve gevoelens van rusteloosheid)
  4. kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten
  5. is vaak "in de weer" of "draaft maar door"
  6. praat vaak aan een stuk door
  • Impulsiviteit
  1. gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen afgemaakt zijn
  2. heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten
  3. verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op (bijvoorbeeld mengt zich zomaar in gesprekken of spelletjes)

B. Enkele symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit of onoplettendheid die beperkingen veroorzaken waren voor het zevende jaar aanwezig.

C. Enkele beperkingen uit de groep symptomen zijn aanwezig op twee of meer terreinen (bijvoorbeeld op school {of werk} en thuis).

D. Er moeten duidelijke aanwijzingen van significante beperkingen zijn in het sociale, school- of beroepsmatig functioneren.

E. De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis en zijn niet eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld stemmingsstoornis, angststoornis, dissociatieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis).

Diagnose

De DSM is in feite een turflijst van gedragingen. De DSM doet geen enkele uitspraak over oorzaak van bepaald gedrag of de juiste behandeling van dit gedrag. Over het gebruik van het woord 'diagnose' na enkel het beschrijven van het gedrag mbt. van de DSM, valt wel wat af te dingen.

Het is niet altijd gemakkelijk om het juiste type te bepalen. De overgangen tussen de verschillende typen verlopen vloeiend. Ook verschillen de combinaties van eigenschappen per individu. Jongens met ADHD kampen vaker met hyperactiviteit, impulsiviteit en gedragsproblemen, terwijl meisjes met ADHD wat vaker van het ADD-type zijn.
Zie ook het overzicht van de DSM-criteria: Symptomen en diagnose.[2]

Elke arts is bevoegd om de diagnose ADHD te stellen, maar de stoornis wordt doorgaans vastgesteld door een psychiater ofpsycholoog of door een orthopedagoog met in ieder geval een basisaantekening psychodiagnostiek (BAPD). Deze zijn hiervoor specifieker opgeleid. Alleen een arts is bevoegd om eventueel medicatie voor te schrijven.
Voor het diagnosticeren kunnen verschillende tests en observaties worden gebruikt. Er bestaat geen standaardtest.

Volgens de huidige inzichten komt ADHD bij 3 tot 5% van de kinderen voor en bij zeker 1% van de volwassenen. Bij ADHD spelen ook erfelijke elementen een rol. Het komt dan ook regelmatig voor, dat er ook bij een van de ouders sprake is van ADHD, vaak zonder dat ooit de diagnose is gesteld. In het verleden werd ADHD bij kinderen vaak niet onderkend. Voor zover dat wel het geval was, was men algemeen van mening, dat de symptomen vanzelf geleidelijk zouden verdwijnen en dat ADHD bij volwassenen niet voorkomt. Dit blijkt maar in zeer beperkte mate het geval. Wel veranderen de symptomen, omdat de volwassene na verloop van tijd beter met zijn/haar beperkingen leert om te gaan en de maatschappij aan volwassenen andere eisen stelt.

Bijkomende problematiek

In een Nederlands onderzoek uit 2001 onder 141 volwassenen met ADHD die daarvoor bij een psychiater onder behandeling waren bleek dat circa vier van de vijf patiënten last had van een of meer bijkomende stoornisen.[3] Het ging daarbij met name omangststoornissen, depressie, verslavingsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen.[3] Uit een ander onderzoek onder 105 volwassenen met ADHD uit 2006 kwam naar voren dat ADHD een negatieve invloed had op een groot aantal terreinen, zowel lichamelijk en psychisch als sociaal en economisch. De kwaliteit van leven werd lager ervaren dan gemiddeld. [4]

ADHD in combinatie met dyspraxie wordt ook wel het DAMP-syndroom genoemd.

ADHD en autisme

Recent onderzoek heeft aangetoond dat er een overlap bestaat tussen autistisch-spectrumstoornissen (ASS) en ADHD. Zo zijn er in meerdere wetenschappelijke studies qua gedrag (cognitieve processen) overeenkomsten gevonden, maar ook in beeldvormend onderzoek (hersenscans) is naar voren gekomen dat er beperkingen zijn in dezelfde hersengebieden. Ook komen beide stoornissen vaker samen voor dan redelijkerwijs zou kunnen worden aangenomen. Dit wil overigens niet zeggen dat ADHD en autisme een en dezelfde stoornis betreft. Ouders die zowel een kind met ADHD als een kind met ASS hebben kunnen duidelijke verschillen aangeven.[5][6][7]

Mensen met ADHD in hun omgeving

Het gedrag van mensen met ADHD wordt door de omgeving in meer of mindere mate ervaren en omschreven als storender, dominanter, opdringeriger, lawaaieriger en soms agressiever dan normaal. Als gevolg daarvan kunnen mensen met ADHD in een situatie geraken dat zij sociaal worden uitgesloten. Deze gedragingen kunnen, samen met het aandachtstekort, de schoolprestaties van het kind negatief beïnvloeden. Ook voor de ouders betekent een kind met als diagnose ADHD een extra belasting, die kan leiden tot extra stress en spanningen binnen relaties en in het gezin. Wanneer ook nog één of beide ouders ADHD heeft is de last voor het gezin erg groot. Van belang is, of in dat geval ook bij de ouder de ADHD reeds is vastgesteld.

Volwassenen met ADHD zijn gebaat bij het vinden van structuur en werk waarin men kan functioneren. Men kiest soms onbewust een omgeving waar men minder last ervaart. De overbeweeglijkheid vermindert in de loop der tijd meestal wel in meer of mindere mate. De symptomen kunnen gepaard gaan met aanhoudende emotionele en sociale problemen. In het geval dat de ADHD'er in de maatschappij niet zijn juiste plaats en omgeving weet te vinden en de maatschappij onvoldoende begrip toont en te weinig ruimte biedt tot ontplooiing, kan werkloosheid, criminaliteit en misbruik van genotsmiddelen het gevolg zijn. Aan de andere kant kunnen de speciale eigenschappen die ADHD met zich meebrengt ook positieve effecten opleveren. Door hun onconventionele manier van denken kunnen mensen met ADHD anders en op een verfrissende manier tegen vanzelfsprekende zaken aankijken, wat vaak verrassende resultaten kan opleveren. Creativiteit, vindingrijkheid en vernieuwing gaan vaak samen met ADHD.

Vermoeidheid

Ongeveer driekwart van de volwassen personen met ADHD heeft last van vermoeidheid. Zij hebben het gevoel dat alles wat ze doen hun meer moeite en energie kost. Dit kan nog eens verergerd worden doordat 30% van de patiënten last heeft van slaapproblemen.[3][4][8][9] Ze gaan vaak laat naar bed, hebben veel moeite met inslapen, slapen beweeglijk en onrustig, zijn na een nacht slapen niet uitgerust en stapelen dus slaapschuld op.

Bijzondere kenmerken van personen met ADHD

Personen met ADHD zijn beweeglijk, onrustig en minder voorspelbaar in hun motoriek en in hun denken. Ze zijn gevoelig voor prikkels van buitenaf, maar zoeken de prikkels zelf op wanneer die ontbreken. Door deze eigenschappen komen we onder de personen met ADHD mensen tegen die bijzondere vaardigheden hebben ontwikkeld met betrekking tot het snel combineren van informatie en indrukken, die probleemoplossend denken, met creativiteit en originaliteit, en met ruimtelijk inzicht.

Bij een overmaat aan van prikkels zoals bijvoorbeeld achtergrondmuziek in winkels, sterke geuren, veel mensen in zijn omgeving, enzovoort, zal een persoon met ADHD zich indien mogelijk liever in een rustige omgeving terugtrekken.

ADHD een mode-diagnose?

De grote toename van het aantal gevallen van ADHD doet soms denken aan een "mode-diagnose". Onderzoek toont echter aan dat de diagnose van wat nu ADHD wordt genoemd, minstens teruggaat tot het begin van de vorige eeuw. In die tijd bestonden dergelijke kinderen ook wel maar dit werd nog niet als een medisch probleem gezien. Destijds werden veel kinderen slechts bestempeld met het etiket: lastig, druk, moeilijk handelbaar, agressief, kan zich niet concentreren. Later werden dergelijke kinderen tot ongeveer 1990 aangeduid met de diagnose MBD (minimal brain damage - minimale hersenbeschadiging). Omdat een beschadiging echter niet kon worden gevonden werd de betekenis veranderd naar minimal brain dysfunction, waarmee meer de nadruk op het disfunctioneren werd gelegd dan op een veronderstelde onderliggende oorzaak. Dankzij moderne onderzoekstechnieken, zoals hersenscans en computertests, kan men tegenwoordig vaststellen, dat er in vergelijking met gezonde mensen wel degelijk verschillen zijn in het functioneren van bepaalde hersengebieden. De diagnose MBD is inmiddels vervangen door ADHD en komt daarmee ook niet meer voor. In die zin is er wel sprake van een mode - de diagnosen voor dezelfde soort problemen veranderen in de loop der tijd met verschuivende inzichten en andere nadruk op verschijnselen en veronderstelde oorzaken.

De huidige maatschappelijke veranderingen dragen mede bij aan een toename van het aantal diagnoses ADHD. Belangrijk voor iemand met ADHD is de aanwezigheid van structuur, regels en regelmaat, aandacht en waardering. In deze tijd zien we dat de structuur die de kerk, de school en de maatschappij vroeger dwingend oplegden, vervaagd is of voortdurend verandert. In een maatschappij waar het verband tussen persoonlijke inzet en beloning meer en meer vervaagt en ook uitgesproken (bijvoorbeeld politiek) beleid en maatregelen vaak niet met elkaar in overeenstemming zijn, zal dit bij iemand met ADHD bewust of onbewust tot onbegrip en vervolgens tot onvrede leiden. Dat dit onbegrip (c.q. onvrede) met betrekking tot een dergelijke scheefgroei als maatschappelijk niet of minder wenselijk wordt ervaren, suggereert dat de vroeger door de kerk en andere instituties opgelegde en in stand gehouden structuren inmiddels grotendeels door nog onvoldoende in kaart gebrachte, maar niet minder dwingende en nader te onderzoeken controlemechanismen zijn vervangen.

In oktober 2005 sprak het kinderrechtencomité CRC van de Verenigde Naties zijn zorgen uit over overdiagnose van ADHD en het te vaak voorschrijven van psychoactieve middelen. Het comité sprak zich uit voor meer studie naar de diagnose. Niet alleen in deVerenigde Staten, maar ook in Europa gebruikt een inmiddels aanzienlijke groep kinderen Ritaline en andere stimulantia.

Oorzaken van ADHD

Deze sectie is deels gebaseerd op: Biederman J. Attention-deficit/hyperactivity disorder: a selective overview. Biol Psychiatry. 2005;57:1215-20.

Genetica

Erfelijke invloeden

Familiestudies naar ADHD laten consequent zien dat ADHD sterk familiaal van aard is. De meeste studies toonden aan dat ouders en nageslacht van kinderen met ADHD, een 2 tot 8 maal verhoogd risico op het ontwikkelen van ADHD hebben. In controlegroepen van mensen zonder ADHD komt ADHD voor bij 2 tot 5 procent van de eerstegraads familieleden van kinderen, dit percentage stijgt naar 20 tot 25 procent in de groepen met kinderen met ADHD. Bij kinderen van volwassenen met ADHD, komt ADHD zeer vaak voor, zo’n 75%.

Omdat men ervan uitgaat dat ADHD een belangrijke genetische component heeft, heeft men tweelingstudies gedaan, die de mate van erfelijkheid onderzochten of de mate waarin de aandoening beïnvloed wordt door genetische factoren. Op basis van 18 studies (die methodologisch en qua definitie van ADHD verschilden) komt men uit op een gemiddelde erfelijkheid van 77 procent.

Moleculair genetisch onderzoek

Een groot genoom-breed onderzoek suggereert dat op de chromosomale regio’s 16p13 en 17p11 waarschijnlijk genen liggen die een risico voor het ontwikkelen van ADHD inhouden.
Verschillende studies laten een verband zien tussen polymorfismes in het dopamine transporter gen (DAT) en ADHD. Het gaat hierbij om het 480-basenpaar allel in het DAT gen, en om het 440 basenpaar 3' DAT VNTR polymorfisme. De hoeveelheid dopaminetransporter is 70 procent verhoogd bij volwassenen met ADHD. Het gen dat het meest met ADHD in verband wordt gebracht is het 7-repeat-allel van het dopamine receptor D4 gen (DRD4).

Voedingsadditieven

Welke rol de voeding kan spelen bij ADHD is vaak onduidelijk en wetenschappelijk omstreden. Veel wetenschappelijke onderzoeken zijn niet onafhankelijk of slecht opgezet.
Naar de invloed van voedingsadditieven is veel onderzoek gedaan.

Voedingsadditieven veroorzaken geen ADHD. Wel is bewezen dat zij de gevolgen van ADHD kunnen versterken. Een groot onderzoek van McCann et al. in 2007 toonde aan dat kunstmatige kleurstoffen in voeding een toename van hyperactiviteit kunnen veroorzaken (zie Intolerantie#Kleurstoffen). Het gaat dan met name om azokleurstoffen en Chinolinegeel (E104).

Het McCann-onderzoek in 2007 naar de invloed van kleurstoffen in voeding heeft aanwijzingen gegeven voor een verband tussen enkele genetische polymorfismes die verband houden met een verminderde afbraak van histamine, de gevoeligheid voor de onderzochte kunstmatige kleurstoffen en de toename van hyperactiviteit.[10]

Omgevingsfactoren

Er zijn geen aanwijzingen dat ADHD na de geboorte kan ontstaan door omgevingsfactoren. Wel heeft de omgeving invloed op de ADHD-symptomen. In ongunstige omstandigheden, zoals een prikkelrijke, lawaaiige en stress-volle omgeving, zullen de ADHD-symptomen toenemen. In een rustige en harmonische omgeving zullen de symptomen eerder afnemen of wegblijven.

Neurobiologie

De neurobiologie van ADHD is nog slechts gedeeltelijk opgehelderd. Verstoringen in de dopaminerge en noradrenerge systemen in de hersenen, worden als basissymptomen van ADHD beschouwd. Ondanks de soms tegenstrijdige uitkomsten van studies, tekent zich toch een beeld af van afwijkingen in de functie van de frontale kwab en afwijkende verbindingen tussen de frontale kwab en belangrijke subcorticale gebieden. Het is niet duidelijk of de prefrontale afwijkingen een frontale of subcorticale oorsprong hebben. Daarom gebruikt men in verband met ADHD ook wel de neuropsychologische term fronto-subcorticale aandoening. Dat wil zeggen een gedrags- of cognitieve stoornis die een frontale oorzaak lijkt te hebben, maar door subcorticale uitlopers wordt beïnvloed.

Hersenscans laten diverse veranderingen in structuur en functie van de hersenen van ADHD-patiënten zien. De meest gerepliceerde afwijkingen zijn kleinere afmetingen van onderdelen van de frontale cortex, cerebellum en subcorticale regio’s, waardoor de hersenen in totaal 3 tot 5 procent kleiner zijn. Belangrijk is ook een 10 jaar durende studie die aantoonde dat de gebruikelijke ADHD-medicatie geen negatieve invloed heeft op de hersenen. De zenuwbanen vertonen dezelfde groeicurves bij ADHD'ers als bij neuro-normale controlegroepen, alleen ligt bij de ADHD'ers deze curve wat lager, maar loopt wel parallel.

Hersenfunctiestudies laten, net als de scans, zien dat subcorticale gebieden als de (nucleus caudatus, het putamen en de globus pallidus) een rol spelen. Ze geven terugkoppeling aan de cortex, waardoor ons gedrag wordt gereguleerd. Bij ADHD zijn er afwijkingen in deze gebieden en (dus) in het gedrag.

De fronto-subcorticale systemen zijn rijk aan catecholamines. Stimulantia zoals methylfenidaat (Ritalin) verminderen de symptomen van ADHD door remming van de dopamine-transporter en blokkade van de heropname van dopamine en noradrenaline terug in hetpresynaptische neuron, waardoor de beschikbare hoeveelheid van deze stoffen buiten de neuronen groter wordt. Een model voor de effectiviteit van deze middelen bij ADHD: via de dopaminerge en noradrenerge systemen wordt de remmende invloed van de frontale cortex op de subcorticale regio’s groter. Dit heeft invloed op gedrag in nieuwe, onbekende situaties, plannen van taken, beslissingen nemen, remmen van gedrag (impulsbeheersing) en gevoeligheid voor plezierige ervaringen. Zie ook: Website PsyQ[11]

Behandeling

ADHD is niet te genezen. Wel kunnen met behulp van medicijnen de symptomen worden verminderd. Vaak heeft dit een positieve invloed op het sociaal functioneren, waardoor het effect zeer groot kan zijn. Medicijnen kunnen ook de niet-medicinale behandelingen ondersteunen. De behandeling van ADHD bestaat uit een op het individu afgestemd behandelprogramma, dat vaak medicatie en psychologische, educatieve, sociale en voedingsinterventies omvat. Voor het maximale succes moeten de ADHD'er en zijn of haar ouders/partner, andere familieleden en leerkrachten/schoolleiding actief bij het behandelplan betrokken worden. Lotgenotencontact wordt hier zeker ook belangrijk in gevonden.

Medicatie

Enkele verkrijgbare tabletten Methylfenidaat
1rightarrow.png Zie Medicatie bij ADHD voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Specifieke medicatie voor AD(H)D zijn stimulantia en Strattera. In bepaalde gevallen worden ook wel 'tricyclische antidepressiva' (imipramine, nortriptyline) voorgeschreven. Bij comorbide stoornissen worden ook wel antidepressiva of (in lichte dosering) antipsychotica.

Het stimulantium methylfenidaat wordt al het langst toegepast en is beschikbaar in twee vormen: een kortwerkende vorm en een langwerkende. De kortwerkende vorm is verkrijgbaar als tablet onder de originele merknaam Ritalin (in Nederland),Rilatine (in België) of onder de generieke naam methylfenidaat hydrochloride. De langwerkende vorm is verkrijgbaar van de merken Concerta, Equasym, Medikineten in België Rilatine MR.
Een alternatief voor methylfenidaat is dexamfetamine.

Sinds april 2005 is een medicijn beschikbaar dat een andere werkzame stof (atomoxetine) heeft: Strattera.

Niet-medicinale behandelingen

Naast de klassieke medicinale behandelingen zijn er intussen veel niet-medicinale behandelingen. Sommige hiervan zijn gefundeerd op wetenschappelijk onderzoek.[12] Gedragstherapie is geen behandeling van eerste keuze voor de behandeling van kinderen met ongecompliceerde ADHD.[13]

Pedagogische benadering

Kinderen met ADHD vragen om een specifieke pedagogische benadering.[14] Handvatten daarbij kunnen zijn:

  • Structuur in de dag en tijd. Dit kan door gebruik te maken van dagritmekaarten en twee klokken. De ene klok geeft de tijd aan, de andere klok wordt gezet op de tijd waarop een activiteit afloopt of begint
  • Regelmaat
  • Voorbereiden op veranderingen
  • Aanleren om eerst te stoppen, dan te denken en tenslotte te handelen
  • Ontladingsmomenten om energie te laten wegvloeien
  • Belonen en complimenteren
  • Benoemen van gewenst gedrag
  • Taken waarbij verantwoording gedragen wordt en waarbij het energie gebruikt wordt.
  • Hulp bij het beginnen met een taak
  • Uitdaging bieden
  • Hulp bij het plannen van dagen of taken.

Psycho-educatie

Medicijnen onderdrukken de symptomen van ADHD maar verhelpen ze niet. De eigenschappen van ADHD kennen en ermee leren omgaan kan door middel van Psycho-educatie. Hiervoor biedt men in de Geestelijke gezondheidszorg trainingen aan. Zo kan onder andere in groepsverband onder leiding van gespecialiseerde therapeuten ingegaan op de stoornis, dit kan een combinatie zijn van voorlichting en lotgenoten contact. Op deze manier krijgt de patiënt de kans zijn ADHD een plaats in zijn leven te geven door een begin te maken met de verwerking en acceptatie van zijn stoornis.

Eliminatiedieet

Er zijn verscheidene diëten voor AD(H)D'ers. Zo wordt bijvoorbeeld een suikervrij dieet aangeraden. Ook andere diëten zijn onderzocht op hun effect op AD(H)D'ers. Met name eliminatie (en later identificatie) van potentieel allergene stoffen in de voedingvia een eliminatiedieet lijkt een veelbelovende methode.[15][16]

In een Nederlands onderzoek uit 2002 onder veertig ADHD-kinderen bleek wel het twee weken lang weglaten van alle bekende voedselallergenen uit de voeding (door middel van een eliminatiedieet) bij meer dan 60% van de ADHD-patiënten tot een duidelijke vermindering van de klachten te leiden (verbetering van minstens 50%).[15]

Bij een eliminatiedieet moeten de potentieel kritische voedingsmiddelen daarna stapsgewijs weer in het dieet worden geherintroduceerd, waarbij in de gaten wordt gehouden hoe het kind op een pas geherintroduceerd voedingsmiddel reageert. Dit om de voedingsmiddelen waarop het kind reageert te kunnen identificeren.

In 2011 bleek uit dubbelblind onderzoek uitgevoerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen en gepubliceerd in het gezaghebbende medische vakblad The Lancet, dat bij een onderzoeksgroep van kinderen met ADHD een dergelijk eliminatiedieet in driekwart van de gevallen een duidelijk aantoonbare gunstige invloed had op het gedrag. Na provocatie met de voedingsmiddelen waarvoor overgevoeligheid bestond keerden de symptomen weer terug.[16]

Alternatieve behandelingen

Neurofeedback

Neurofeedback is een nog omstreden behandeling van AD(H)D die reeds 10 jaar wordt toegepast in de Verenigde Staten. Het principe van neurofeedback is gebaseerd op het (Q)EEG-scanbeeld van een AD(H)D'er. Het onevenwicht tussen trage (bijzaken) en snelle (hoofdzaken) hersengolven wordt bijvoorbeeld geregistreerd en weergegeven op een computerscherm. Wanneer echter de trage onder een bepaald niveau èn de snelle hersengolven boven een bepaald niveau komen, komen er punten bij op een teller. Hierdoor wordt men gestimuleerd om de hersengolven langer op ditzelfde niveau (dus op een geconcentreerd niveau) te houden. Door de positieve feedback merkt men dat dit niveau langer gerekt kan worden en dus de concentratie van de AD(H)D'er. Hierbij is het echter wel noodzakelijk dat men regelmatig deze neurofeedback ondergaat, dat men een minimum van 30 sessies volgt, èn dat ze nog regelmatig moet worden onderhouden in de maanden nadat de behandeling vruchten heeft afgeworpen. De combinatie van klassieke en chaosbeheersing-neurofeedback kan volgens verschillende studies AD(H)D volledig verhelpen. Eén studie van Lubar maakt melding dat neurofeedback bij een groep van 51 mensen met AD(H)D na 10 jaar nog steeds stabiele resultaten gaf. In Nederland wordt deze behandeling door verzekeraars vaak niet of maar gedeeltelijk vergoed.

In 2009 is in samenwerking met onderzoekers van de Universiteit van Tübingen (Duitsland), de Radboud Universiteit Nijmegen, Brainclinics en het EEG Resource Instituut een meta-analyse[17] uitgevoerd. Een meta-analyse is een analyse waarbij alle onderzoeken uit het verleden zijn meegenomen, die het effect van Neurofeedback bij ADHD hebben onderzocht. In totaal zijn er 15 onderzoeken meegenomen met een totaal van 1194 patiënten. Op basis van dit onderzoek kan inderdaad geconcludeerd worden dat Neurofeedback als bewezen en effectieve behandelmethode gezien kan worden voor de behandeling van ADHD. Uit deze analyse bleek dat Neurofeedbackbehandeling een grote en klinisch relevante verbetering gaf op impulsiviteit en aandachtsproblemen en een redelijke verbetering op hyperactiviteit. Tevens werd een bevestiging gevonden van een aantal kritiekpunten die door andere onderzoekers in het verleden zijn geuit; zo bleek dat randomisatie inderdaad een vereiste is voor betrouwbaar onderzoek. Mede door een aantal recente studies zoals Gevensleben et al. (2009)[18] en Holtmann et al., 2009[19]konden deze belangrijke conclusies ondersteund worden aangezien zij wel randomisatie gebruikt hebben en adequate controlegroepen.

Natuurproducten

Vanwege hun concentratiebevorderende eigenschappen[20] worden visolie, omega-3 (DHD/EPA), ginkgo biloba of lecithine (onder andere van soja, noten, enzovoorts) gebruikt. Ze worden aangewend als alternatief voor medicinale behandeling of bij wijze van aanvulling hierop. Er zijn onderzoeken die aangeven dat visolie een gunstige werking heeft bij ADHD.[21]

Er zijn aanwijzingen dat ijzertekort een rol speelt bij de intensiteit van de symptomen. Aanvulling van ijzer blijkt het effect van medicatie te kunnen verbeteren, waardoor lagere doseringen mogelijk zijn.[22]

Fosfatidylserine, dat in voeding zit, schijnt een gunstige invloed te hebben op ADHD.[23]

Statistische gegevens

De hieronder weergegeven statistische gegevens werden publiek ter beschikking gesteld op de IACAPAP conferentie, 25 augustus 2004 te Berlijn.

  • Bij jongens wordt de diagnose drie keer zo vaak vastgesteld als bij meisjes.
  • Naar schatting blijft 60% van de kinderen met ADHD symptomen houden tot in de volwassenheid.
  • Niet minder dan 20-30% van de personen met ADHD lijdt aan een depressieve stoornis met slechte prognose, waaronder misbruik van middelen en zelfmoord.
  • ADHD wordt in Nederland nauwelijks bij allochtonen gediagnosticeerd of behandeld; dit wil niet zeggen dat er onder allochtonen geen ADHD voorkomt.
  • Algemeen houdt men rekening met een erfelijke overdracht.

Kinderen

  • ADHD is een veelvuldig voorkomende psychosociale/psychische aandoening bij kinderen.
  • De stoornis manifesteert zich in principe vroeg in het leven.
  • Naar schatting hebben 50% van de ADHD-kinderen aanzienlijke problemen in hun sociale relaties. Uit recent onderzoek is gebleken dat meer dan 30% van de kinderen met ADHD een jaar op school blijft zitten en dat 56% extra begeleiding nodig heeft. Ongeveer de helft van de ADHD-kinderen heeft ook een leerstoornis.
  • Naar schatting lijdt twee derde van de ADHD-kinderen ook aan een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.
  • Onderzoek heeft tevens aangetoond dat 25-35% van de kinderen met ADHD aan een angststoornis lijdt, zoals agorafobie,paniekstoornis, obsessief-compulsieve stoornis of gegeneraliseerde angststoornis.
  • Tot op heden is de term ADHD nog steeds niet duidelijk gedefinieerd.

Adolescenten

  • 60% van de kinderen met klinisch gediagnosticeerde ADHD op de schoolleeftijd houdt gedurende de adolescentie ook symptomen van ADHD.
  • 25-50% van deze adolescenten heeft symptomen van een oppositionele of antisociale persoonlijkheidsstoornis ontwikkeld.
  • Evenveel hebben een schoolachterstand opgelopen met een historie van meer dan gemiddeld doubleren, spijbelen, uitval zonder diploma, een lager schooltype en een lagere score op gestandaardiseerde tests.

Volwassenen

  • Pas sinds kort wordt ook erkend dat ADHD bij volwassenen voorkomt. Doordat vele van deze volwassenen pas op latere leeftijd de diagnose ADHD krijgen, hebben ze vaak al vele problemen gehad. Bij volwassenen wordt voor de aandoening soms de naam Adult Attention Deficit Disorder (AADD) gebruikt.

Statistische verdeling per leeftijdscategorie

Leeftijden van personen bij wie ADHD gediagnosticeerd werd:

  • 1 t/m 5 jaar 5%
  • 6 t/m 8 jaar 22%
  • 9 t/m 12 jaar 35%
  • 13 t/m 18 jaar 22%
  • 19+ jaar 16%

De geschiedenis van ADHD

De gedragsproblematiek die nu ADHD wordt genoemd is in 1902 voor het eerst beschreven door de Britse kinderarts George Still.

In 1937 werkte de arts Charles Bradley in een inrichting voor moeilijk hanteerbare jongens. In plaats van deze jongeren door middel van harde tucht te leren hun gedrag aan te passen, besloot hij het gedrag te beïnvloeden door hen stimulerende medicijnen toe te dienen. Hij had al eerder ontdekt dat stimulerende medicatie, die onder andere werd toegepast als middel om af te vallen, een kalmerend effect had op mensen met bepaalde klachten.

In 1947 werd beschreven dat de gedragsproblemen werden veroorzaakt door kleine beschadigingen in de hersenen; Minimal Brain Damage (MBD) genoemd. Vanaf 1967 was men toch minder overtuigd van beschadiging en werd de term Minimal Brain Disfunction ingevoerd. Men is sindsdien onderzoek blijven doen naar wat we nu ADHD noemen. In de jaren 1970 kwam aan het licht dat ADHD geen typische kinderziekte is die rond de puberteit verdwijnt, maar dat zo’n 60% ook als volwassene last bleef houden van symptomen. Ondanks deze wetenschappelijke feiten bleef de algemene maatschappelijke mening nog lange tijd dat ADHD een opvoedingsprobleem was zonder biologische oorzaak. Ook al omdat men er in de psychoanalyse lang van uitging dat ADHD eenneurotische afwijking was die veroorzaakt werd doordat de ouders steeds minder tijd en aandacht voor hun kinderen hadden.

Een belangrijke doorbraak kwam in 1990 toen men bij het vergelijken van PET-scans verschillen in hersenactiviteit ontdekte tussen volwassenen met ADHD en volwassenen zonder ADHD. Door middel van MRI-scans werden bij later onderzoek nog grotere verschillen ontdekt. Bovendien bleek uit nieuw genetisch onderzoek dat ADHD een familiekwaal was die voor ongeveer 75% erfelijk bepaald is.

Men was vroeger in de veronderstelling dat ADHD een typische kinderziekte was die rond de puberteit zou verdwijnen. Inmiddels is duidelijk dat tenminste een derde van de kinderen met deze aandoening op volwassen leeftijd nog steeds klachten ondervinden, meestal in de vorm van het subtype ADD.

Zie ook